Scheepsjongens van Bontekoe

Scheepsjongens van Bontekoe

De scheepsjongens van Bontekoe

Hoorn kan putten uit een rijke zeevaarthistorie, met als hoogtepunt de zestiende en zeventiende eeuw. Hoornse schippers en kooplieden staan in die tijd bekend om hun vindingrijkheid, hun doorzettingsvermogen, hun ondernemingslust en hun slimme koopmanschap. Onder het motto 'de kost gaat voor de baat uit', zijn ze bereid risico's te nemen. Hun avonturen spreken nog altijd tot de verbeelding

Uitgever Jan Jansz Deutel weet de belevenissen die hij uit de mond van de Hoornse schipper Bontekoe optekent zo raak te beschrijven, dat het scheepsjournaal bestseller wordt. De eerste uitgave verschijnt in 1646, nu al meer dan 350 jaar geleden. De menselijke kant van de schipper, zijn angsten, zijn twijfels, zijn onzekerheid, de moeilijke beslissingen die hij moet nemen, maken het boek ook nu nog het lezen waard.

Tegenwoordig is de rampreis van Bontekoe vooral bekend door Johan Fabricius' bewerking voor de jeugd: De scheepsjongens van Bontekoe. In Fabricius' boek zijn de scheepsjongens Hajo, Padde en Rolf belangrijker dan de schipper die in het oorspronkelijke Journaal de held is.

Als zijn botteliersmaat in het ruim het dagelijkse mutsje brandewijn voor de bemanningsleden aan het tappen is, valt er een kaars om en vliegt de brandewijn in de fik. Onder de vaten met brandewijn liggen vaatjes buskruit. Iedereen gaat als de wiedeweerga aan het blussen. Nou ja, iedereen? Een stuk of veertig bemanningsleden zien de klap al aankomen. Zij strijken stilletjes een sloep en maken dat ze uit de buurt komen. Een klassiek geval van muiterij. Achteraf blijken dit wel de slimste bemanningsleden te zijn, want Bontekoe en de zijnen vliegen met schip en al de lucht in en de schipper is maar wat blij dat hij samen met de enige andere overlevende door de muiters uit het water wordt gevist.

De voorraad proviand raakt al gauw op en na verloop van tijd beginnen de wat ruigere types onder de bemanningsleden hongerig naar de scheepsjongens te kijken. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Er komt land in zicht. Het oppeuzelen van Padde, Hajo en Rolf wordt tot nader order uitgesteld.

Aan land maakt Bontekoe opnieuw angstige ogenblikken mee. Op een gegeven moment wordt hij belaagd door inboorlingen die weinig goeds met hem voorhebben. Het ziet ernaar uit dat Bontekoe en de zijnen in de pan worden gehakt. De schipper meent dit althans op te merken uit het agressieve gedrag van de plaatselijke bevolking. Hij wordt doodsbang, prevelt een gebed en krijgt een ingeving: 'als ik heel hard ga zingen, merken de inboorlingen niet dat ik het bijna in mijn broek doe van angst en laten ze ons misschien met rust'. Zo gedacht, zo gedaan. Bontekoe heft luidkeels een gezang aan. De inboorlingen weten niet hoe ze het hebben. Het helpt: noch Bontekoe, noch zijn bemanningsleden wordt ook maar een haar gekrenkt.

De scheepsjongens van Bontekoe zitten nog altijd op de kademuur over het water te turen, vlakbij het Houten Hoofd en de Hoofdtoren.